• Mijn man Raymond en ik wonen werkelijk prachtig: ‘ons’ dorpje telt nog geen vierduizend inwoners en wordt omsloten door de bossen van de Utrechtse Heuvelrug en het water van de Rijn. Alleen de bus van het openbaar vervoer en de straaljagers die op gezette tijden ons dorp passeren, laten doorschemeren dat er meer wereld is. Buiten dat wonen wij in rust, complete rust. Of nu ja, compléte rust...

  • Testen

    Column Rust, deel 1

    Vijf jaar geleden, op drie juli om precies te zijn, kregen wij twee kinderen. Niet van die gewone kinderen, die beginnen in luiers en eindigen met de hand in je portemonnee, maar van die poezenkinderen, u kent ze wel. Zo van die katten die je tot het uiterste kunnen testen; je wakker mauwen halverwege de nacht omdat er een deur dicht is, je keuken volledig bezaaien met brokjes omdat je de verkeerde smaak hebt gekocht, expres náást de bak plassen omdat jij niet op tijd de bak hebt gekuist en jou dwingen om voor jezelf een nieuwe stoel aan te schaffen, omdat zij de bank in beslag nemen. Dat zijn trouwens dezelfde katten die tegen je aanschurken wanneer jij je niet zo lekker voelt, op je schoot liggen, gewoon, omdat het jouw schoot is en het liefst de hele dag door spinnend achter je aan lopen omdat ze het zo gezellig vinden bij jou. Jawel, ook het opvoeden van die kinderen gaat met vallen en opstaan, maar mensenlief wat krijgen we er toch ontzettend veel voor terug!

  • Twee hoog

    Toen ik zojuist schreef dat wij twee kinderen kregen, bedoelde ik eigenlijk ik. Raymond heeft namelijk nooit echt zeggenschap gehad, hoewel ik hem wel al ruim een jaar voorbereidde op het feit dat er ooit katten in huis zouden komen. Hij heeft zich, als ware kattenhater, hevig verzet en geroepen dat hij het vertikte om die ‘rotbeesten’ op te halen, maar toen hij een weekje weg was op kinderkamp regelde ik direct een afspraak bij de kattenopvang van Vereniging Kattenzorg. Ik wilde er twee, zoveel was duidelijk. Zowel Raymond als ik werkten fulltime en ik vond, en vind nog steeds, dat je een kat niet hele dagen alleen moet laten. In die tijd woonden wij nog in Den Haag twee hoog op een flat, dus mijn tweede eis was dat het binnenkatten moesten zijn.
    Voorbijlopend aan de verschillende hokken in de opvang viel mij één kat op. Het was de enige kat die het bezoek van dichtbij wilde bekijken en ze deed haar best al haar snorharen zo ver mogelijk door de tralies te steken.
    ‘Daar hoort die andere ook nog bij,’ vertelde de verzorger en hij wees het hok in. Achterin hetzelfde hok lag eenzelfde kat, volledig opgekruld en luid snurkend.
    ‘Waarom zitten ze hier?’ vroeg ik, want ik wilde als het even kon, wel wat achtergrondinformatie. ‘De eigenaresse was zwanger van een vierde, ze had geen tijd meer voor die katten, zei ze. Ze heeft er drie weggedaan, kijk die hoort er ook nog bij,’ wees hij naar een zwart-witte kater met de originele naam Felix op de kooi geschreven, ‘maar die schijnt nogal ruzie te maken met deze twee. Kan dus niet meegeplaatst worden.’

  • Sarah en Nol

    Een uur later kwam ik thuis en opende de geleende kattenmandjes. Sarah, de moeder zo bleek, sprong direct vanuit het mandje op mijn schoot en begon te spinnen dat het een lieve lust was. Nol, de zoon dus, deed daar iets langer over. Pas na ruim een half uur kreeg ik het voor elkaar hem geïnteresseerd te maken voor de omgeving buiten de kattenmand. Uren heb ik op de grond gezeten om ze ervan te overtuigen dat ik het allerbeste met ze voorhad en het leek te werken. Onderwijl had ik mijn vader gebeld met de opdracht van alles te kopen: een kattenbak, voer, speeltjes en ga zo maar door. Toen hij eenmaal aankwam met de benodigde attributen kwamen zowel Sarah als Nol op hem af om kopjes te geven. Ik was gerustgesteld: dit kwam wel goed!

  • “Uren heb ik op de grond gezeten om ze ervan te overtuigen dat ik het allerbeste met ze voorhad en het leek te werken...”
  • Paniek

    Drie dagen lang werd ik enthousiast begroet als ik na een lange werkdag thuiskwam. Niet in de laatste plaats omdat meneer en mevrouw zich volledig uitgehongerd voelden, al deed ik net alsof ik dat niet doorhad. Ik wentelde mij in dierenliefde en was voor honderd procent gelukkig. Op dag vier kwam ik thuis in een geluidloos huis. Na een half uur zoeken besefte ik dat de balkondeur openstond en snelde twee verdiepingen naar beneden, richting de gemeenschappelijke tuin. Na daar nóg een half uur zoeken en rammelen met kattensnoepjes was ik volledig in paniek en belde de ene instantie na de andere: mijn katten zijn zoek! Huilend belde ik als laatste mijn vader: ‘Ze zijn vast naar beneden gesprongen, wat als ze gebroken pootjes hebben, of nog erger, aangereden?’ snikte ik terwijl ik naar de drukke weg aan de voorkant van het huis keek. Pa wachtte niet langer en kwam meteen naar me toe. Als ervaren katteneigenaar ondernam hij zelf een zoektocht door de gemeenschappelijke tuin en binnen vijf minuten riep hij dat hij de eerste al gevonden had. Nog geen tien minuten later had hij nummer twee ook te pakken en opgelucht nam ik deze, het bleek Sarah te zijn, van hem over. Dit resulteerde in flinke krassen op mijn armen en in mijn gezicht, want Sarah was geenszins van plan haar vrijheid zomaar weer op te geven. Snel belde ik Amivedi en de rest weer op dat de vermiste katten gevonden waren.

    Aan het eind van de avond belde Raymond me op vanaf zijn locatie om te vertellen hoe leuk hij het had. Nog enigszins over mijn toeren vertelde ik hèm over de situatie van die dag, volledig vergetend dat ik hem nog helemaal niet verteld had dat ‘wij’ katten hadden. Natuurlijk reageerde hij helemaal niet meelevend.
    ‘Ik zei toch dat katten alleen maar ellende zouden geven!’

    Wordt vervolgd