 |
|
| Ras: |
Karthuizer / Chartreux |
| Herkomst: |
Frankrijk |
| Karakter: |
Rustig, vriendelijk, goedgehumeurd, evenwichtig |
| Uiterlijk: |
Middelgroot, gespierd, stevig en fors |
| Vacht: |
Dubbele vacht, zacht, glanzend, wollige ondervacht |
| Kleuren: |
Blauw, bleek blauwgrijs, dieper blauwgrijs |
|
Dit ras is al heel oud. Er wordt wel beweerd dat vroeger de
korte wollige vacht werd verkocht als otterbont. Het schijnt
dat de Karthuizer in Frankrijk al eeuwenlang voorkomt. In de
zestiende eeuw betreurde de dichter J. du Bellay de dood van
zijn kleine grijze kat Belaud. In de achttiende eeuw wordt hij
door Buffon vermeld in zijn geschiedenis van de natuur onder
de naam Chat de France (Franse kat), terwijl Linné hem onderscheidt
van de Angora en hem Felis cattus caeruleus doopt, blauwe kat.
Over de oorsprong van deze kat bestaan verschillende theorieën.
Volgens de legende zouden de Karthuizer monniken met de katten
hebben gefokt nadat ze deze hadden meegebracht uit Zuid-Afrika.
Maar waarom wordt hij Chartreux genoemd? Volgens sommigen is
deze naam ontstaan vanwege het feit dat zijn dichte, wollige
vacht doet denken aan een Spaanse wollen stof die in Frankrijk
pile de Chartreux wordt genoemd. Anderen, zoals Fizniger, denken
echter dat deze kat voortkomt uit een kruising van de Manulkat
en de Egyptische kat. In feite is het mogelijk dat zijn voorouders
zijn geboren in de ruige, bergachtige gebieden van Iran, Syrië
en Turkije, waardoor hij zijn dikke vacht heeft gekregen en
die na de kruistochten enkele exemplaren hiervan mee naar Frankrijk
zijn genomen.
In de jaren twintig zouden Franse fokkers kruisingen hebben toegepast met de Pers. Een echt fokprogramma begon pas in 1926 door de zussen Léger, met grijsblauwe katten die in het wild leefden in Belle-Île, in de Morbihan (Bretagne). Nadat Dr. Jumaud (1930) de lichaamskenmerken van de kat had vastgesteld, gaf hij hem de naam Felis cattus cartusinorum. De kat werd in 1931 op een tentoonstelling van de Cat Club in Parijs geshowd. De eerste rasstandaard werd opgesteld in 1939.
In de jaren zestig en zeventig werden combinaties gemaakt met
blauwe Brits Korthaarkatten en wel zoveel dat de F.I.Fe in 1970
besloot om de beide rassen samen te voegen. Het zag er naar
uit dat de Karthuizer daarmee zou verdwijnen. Maar J. Simonnet,
de voorzitter van de Club du Chat Chartreux, leverde zoveel
bewijs van de echtheid van dit oude Franse ras, dat de F.I.Fe
de beide rassen weer scheidde en kruising verbood.
In 1970 kwamen de eerste Karthuizer naar de Verenigde Staten.
De C.F.A. en de T.I.C.A. hebben de Karthuizer erkend. In Nederland
wordt door de onafhankelijke verenigingen geen onderscheid gemaakt
tussen de Brits Korthaar blauw en de Karthuizer.
Algemene kenmerken
Middelgroot tot groot. Gewicht: 3 tot 7,5 kg. Gelijkmatige bouw. Katers zijn groter en massiever dan poezen. Stevig, krachtig voorkomen. Zachte, vriendelijke uitdrukking.
Karakter/bijzonderheden
Deze evenwichtige, onafhankelijke en rustige kat die weinig miauwt heeft een sterke persoonlijkheid. Hij is terughoudend, op zichzelf en houdt van rust, maar is ook liefdevol en hangt erg aan zijn baasje. Hij is robuust, sterk, levendig, erg goed bestand tegen kou; buiten kan hij zijn jachtinstinct goed uitleven en blijft zijn vacht goed van kwaliteit en mooi wollig. Wel moet worden opgemerkt dat door de zon donkerbruine vlekken op zijn vacht kunnen verschijnen. Hij is pas met twee à drie jaar volwassen. Wekelijks borstelen is noodzakelijk voor zijn wollige vacht. Sterke rui.
Hoofd
Brede, afgeronde kop, niet bolvormig, een omgekeerde trapeziumvorm. De schedel niet bol, licht afgerond, met een rechte, platte ruimte tussen de oren. Volle, ronde en laaggeplaatste wangen, bij volwassen katers sterk ontwikkeld. Rechte, brede, niet opgetrokken neus. Lichte glooiing toegestaan, maar bij voorkeur geen stop. De snuit is recht ten opzichte van de kop, maar niet spits. Forse snorhaarkussens, en tamelijk geprononceerde pinch wat deze kat zijn kenmerkende glimlach geeft. Krachtige kaken, vooral bij de katers ouder dan twee jaar.
Oren
Klein tot middelgroot, hoog op de schedel geplaatst, recht en aan het uiteinde afgerond. Smal bij de basis.
Ogen
Grote, ronde ogen met de buitenste hoek iets opgetrokken. Kleur: van diepgeel tot diep koper. Geen spoortje groen en geen fletse tint.
Hals
Kort, sterk en dik.
Lichaam
Robuust en massief, vooral bij katers. Brede schouders en een zware borstpartij. Rechte rug. Sterke beenderen en stevige, zware spieren.
Poten
Recht, kort tot middellang, sterk en zeer gespierd. Kleine ronde voeten of brede voeten.
Staart
Middellang, dik bij de aanzet en iets aflopend naar de afgeronde punt.
Vacht
Kortharig. Een glanzende, dikke en dichte vacht zoals die van een otter, strak en waterafstotend. De vacht staat iets van het lichaam af door de dikke, enigszins wollige ondervacht.
Kleur
Alle nuances blauw, van licht grijsblauw tot donker grijsblauw,
maar de voorkeur gaat uit naar de eerste. Een uniforme tint
is erg belangrijk. De neusspiegel is grijsblauw en de voetzolen
zijn rozeachtig grijs. De huid is blauw. De kittens worden geboren
met tabbytekeningen die geleidelijk aan verdwijnen rond de leeftijd
van zes maanden tot een jaar. De oranje kleur van de ogen ontwikkelt
zich pas vanaf drie maanden, waarmee deze het grijsblauw, dat
typerend is voor kittens, vervangt. |