 |
Robijntje |
COLUMN |
Door Sabine Luypaert
Geplaatst op: 16 juli 2007 |
|
Als een schaduw stond ik gebogen over het lieve
hulpeloze schepseltje, dat mijn oog ontwaard had in het voorbijrijden
naar mijn terrasje met pannenkoek, op deze anders geheel normale
zondagnamiddag. Het water had me in de mond gedreven om mezelf
op iets lekkers te trakteren, en nadat ik de baklucht van
verse pannenkoeken al in de neus kreeg van pure goesting,
was ik snel in mijn schoenen gesprongen om naar mijn favoriete
terrasje aan de Vlassenbroekse dijk te rijden.
Priegelige kopje
Een
feeëriek tafereel van spelende eenden en dollende schapen
trok aan me voorbij, tot ik iets zag wiebelen in de graskant.
Eer mijn hersenen doorhadden dat het geen wild konijntje was
maar iets dat nadrukkelijk rode streepjes bleek te hebben,
had mijn voet de rem al ingedrukt. Snel parkeerde ik mijn
wagentje langs de berm, draaide de motor uit, opende de deur
en zocht naar de plaats waar ik dacht beweging gezien te hebben.
Een miniem geritsel trok mijn aandacht en toen ik naderbij
kwam, zag ik ontegensprekelijk, het kleinste roodgestreepte
poesje dat ik ooit alleen op straat had ontwaard. Het arme
ding zat verstrikt in een bende vale koordjes en was duidelijk
nog lang niet bestand tegen het leven van een volwassen buitenpoes.
Ik schatte het ruwweg op een week of acht, het priegelige
kopje voor ogen houdend.
Draadkluwen
Zo klein de schat was, zo zeker was ze van zichzelf, dat ik
als vreemde luis vast zou schrikken van enkele haartjes die
met een vertederend geblaas omhoog gezet werden. Mij niets
aantrekkende van de poging tot gevaarlijk zijn, bukte ik me,
het wolletje vriendelijk aansprekend op een manier dat menig
mens zijn voorhoofd zou fronsen. Mijn ene hand schoof ik onder
het ukje en tilde het op met draadkluwen en al. Mijn achterwerk
plantte zich neer in de graskant, wijl ik poes en draden op
mijn schoot vleide. Nog steeds pratende tegen het diertje,
prutste ik de draad los van rond het staartje, wat me een
beetje tandjes opleverde in mijn hand. Niets kon me tegenhouden,
dit sukkeltje diende bevrijd, en geen haar op mijn hoofd dat
er aan dacht me te laten tegenhouden, door twee babynagels
en een tandafdruk.
Moedergevoel
| “Het arme ding had zich vast
willen losfriemelen waardoor de draad enkel vaster had komen
te zitten...” |
Een voorpootje had duidelijk te lijden gehad. Hoe lang het
beestje hier al was, was onduidelijk, maar dat het zich verweerd
had dat was duidelijk. Er stond een duidelijke spanafdruk
in de pels net boven zijn duim. Het arme ding had zich vast
willen losfriemelen waardoor de draad enkel vaster had komen
te zitten. Gelukkig heb ik nog steeds een aansteker in mijn
wagen liggen en brandde een deel van de draad door, waar een
knoop onlosmakelijk bleek. Het katje bekeek mij met angstige
blik, het tere lijfje trilde in mijn schoot. Een moedergevoel
maakte zich van me meester. Ik besloot mijn pannenkoek uit
te stellen en naar huis te rijden om het diertje te verzorgen
en een goede maaltijd te geven. Maar eerst stopte ik wel nog
even aan mijn favoriete terras en liet even weten, dat indien
iemand een klein babypoesje miste, het voorlopig bij mij was,
met het verhaal er achter. De uitbaatster, die me erg goed
kent beloofde het te vernoemen aan de klanten. Onderwijl vertrok
ik naar huis waar ik de wond met iso-betadine reinigde, onder
tegenpruttelend geweld van Robijntje, want zo had ik het poesje
al gedoopt ondertussen.
Lievelingstaverne
Mijn twee grote loebassen waren niet echt geïnteresseerd in
het grut dat ik had meegebracht, hoewel Jasper toch even wilde
snuffelen, om vervolgens misnoegd weg te lopen en ons van
op de tafel te gaan zitten aanstaren. Even later trok ik een
zakje whiskas open en prakte de inhoud fijn, waarna ik het
in drie bordjes verdeelde, want niemand wordt hier voorgetrokken.
Jasper en Tobias vlogen als uitgehongerd op hun tussendoorsnoepje
en Robijntje zette ik naast het derde bordje. Tobias keek
snel even of er echt wel hetzelfde in dat bord zat als in
het zijne, en smulde toen ongegeneerd zijn portie op. Het
kleintje zag de twee katers eten, en probeerde ook. Met twee
pootjes in haar bordje gepland, likte ze voorzichtig aan de
saus. Die poot was meteen weer besmet, straks even uitwassen
dacht ik vertederd, toen de telefoon rinkelde. Met mijn ogen
op de smakkende lieverd gericht liep ik naar de woonkamer
en nam op. Het bleek de uitbaatster te zijn van mijn lievelingstaverne.
De eigenaar van het poesje was gevonden, of ik het even kon
brengen of, of ik liever had dat ze er zelf omkwamen.
Ik dacht, ik breng het wel even, heb ik meteen toch nog mijn
pannenkoek. Toen Robijntje haar buikje duidelijk rond gegeten
had, nam ik een kussen van de zetel, zette haar er op en wandelde
er mee naar de auto, door vier blinkende oogjes nagestaard.
Die begrepen er natuurlijk niets van. Ik vleide het kussen
op de passagierszit en stapte in aan de andere kant. Robijntje
was er gerust in, ze draaide zich op een bolletje, zonder
bibberen en ging me liggen aankijken vanboven een abrikoos
gestreept pootje. Ik had eerlijk gezegd al spijt dat de eigenaar
gevonden was, maar niemand mist graag zijn poesje. Toch nam
ik me voor, dat wanneer haar mensen me niet aanstonden, ik
haar terug mee naar huis nam.
Deftige heer
Met een verdeeld gevoel reed ik de parking op. Marjan, had
me al gezien en zwaaide uitbundig. Robijntje lag nog steeds
op haar kussen en bekeek me met lieve oogjes, ik nam haar
op en drukte haar tegen me.
Op het terras zette zich meteen iemand recht die naar me toe
kwam gewandeld. Het zag er een deftige heer uit. In zijn zog
een klein meisje van een jaar of zes. Mijn hart warmde. De
heer dankte me uitbundig, ze waren het poesje uit het oog
verloren. Moeder poes had haar drie jongen verplaatst uit
de garage toen er een graafmachine op de oprit was gereden
om hun tuin aan te leggen, en sindsdien hadden ze geen van
de poezen nog gezien.
Waarschijnlijk was moederpoes opgeschrikt geweest toen ze
haar jonkies wilde verhuizen en was Robijntje in die tijd
in de problemen geraakt.
Pannenkoek
Het meisje, dat Mia bleek te heten, was reuze blij dat ze
een poesje terughad. We hebben ter afscheid samen een terrasje
gedaan, en Mia wilde het poesje niet meer lossen, tot pa,
het haar afnam. Ik haalde snel het kussen uit mijn wagen en
legde het op een vrije stoel. Pa, die zich aan mij voorstelde
als Joris, plaatste Robijntje er op. Het arme ding was helemaal
doodmoe van al die drukte die haar was overkomen en viel als
een blok in slaap. Vertederd over zoveel onschuld bestelde
ik me een pannenkoek, het herenigde gezin volgde.
Tijdens de conversatie bleek dat het poesje nog geen naam
had, maar het meisje vond Robijntje wel mooi klinken. Vooral
toen ik vertelde dat ik haar zo noemde door de mooie roodbruine
kleur die haar donkerste streepjes hadden. Het poesje mocht
de naam Robijntje behouden.
Later rekenden we af, en liet ik het kussen bij Robijntje,
ze lag er immers zo mooi op en reed daarna huiswaarts naar
mijn katers, met een warm gevoel in mijn hart en een traan
in mijn ooghoek. Nu enkel hopen dat de ander drie poesjes
ook nog uitkwamen. |
|
|
|