Onze Nol is een ware scheet.
Hij doet geen vlieg kwaad en als hij aandacht wil, kijkt hij
je net zo lang aan en volgt je overal tot hij het krijgt.
De rest van de tijd slaapt hij, liefst
op plekken die je zelf nog moest ontdekken in huis. We zijn
soms wel minutenlang bezig om hem te lokaliseren en we komen
dan ook regelmatig te laat op afspraken, omdat wij nu eenmaal
het huis pas verlaten wanneer de poezen veilig en wel gesignaleerd
zijn. Ook de zoon van onze vriendin (vijf jaar) kan doen wat
hij wil met hem. Staarttrekken, poessjouwen, noem het en hij
mag het. Toch is Nol niet voor iedereen zo lief, zo ontdekten
wij afgelopen weekend.
Dromenland
Voor de allereerste keer hadden wij twee logees in huis waarvan
er eentje nog in een mooie box sliep. Spannend vonden we dat!
Hoewel moeder ons verzekerde dat haar dochter van ruim twee
jaar overal en wanneer dan ook kon slapen, waren we toch niet
helemaal overtuigd en dus ontzettend benieuwd. Moeder had
niet gelogen: de kleine meid lag nog niet koud in bed of ze
was al diep in dromenland. Waar wij ons absoluut geen zorgen
om maakten was de combinatie kind / poezen. Die rakkers van
ons waren kinderhandjes wel gewend tenslotte. Dachten we.
Gilletje
Sarah liet het enigszins hardhandige aaien zich wel bevallen.
Wanneer het haar echt te ruw ging, blies ze wat en liep ze
weg. We waarschuwden de kleine meid natuurlijk wel: als een
poes het zat is, kan ze wel eens krabbelen. Poesjes kunnen
nu eenmaal niet praten zoals mensen doen en ze weet niet hoe
ze anders kan vertellen dat ze iets niet wil. De jongedame
leek dit verhaal wel te begrijpen en onbezorgd begonnen wij
volwassenen een gesprek over gezamenlijke hobby’s en vrienden.
Opeens klonk er echter een gilletje, gevolgd door een stevige,
tien straten verder op te merken huilbui.
Hoge rug
Verbaasd
keken we alledrie tegelijk op: moeder, mijn mannetje en ik.
Terwijl moeder enigszins laconiek haar dochter maande dat
ze nu eenmaal rustig dient te doen met poesjes, keken wij
nog steeds vol verbazing naar Nol, die Nol niet meer leek
te zijn. Zo hadden we onze je-weet-wel-kater nog nooit gezien!
De hoge rug kwam nog wel bekend voor evenals de dikke staart
(dit tafereel zien we regelmatig wanneer de sukkel weer eens
ergens van schrikt, bijvoorbeeld wanneer we de keuken inlopen
of gewoon beginnen met praten), de platte oren en diepe brom
hadden we echter nog nooit eerder opgemerkt.
De onschuld zelve
‘Wie ben jij en wat heb je met onze kater gedaan?’ riep ik
verontwaardigd naar Nol. Bij het horen van mijn bekende stem
verdween alle commotie in de kat als sneeuw voor de zon, ging
hij zitten, floepte zijn oren omhoog en keek me onschuldig
aan, af en toe een zielig mauwtje uitend. De onschuld zelve,
ja ja. Onderwijl hoorde ik de tweejarige peuter snikkend vertellen
dat poes in haar gezicht geslagen had en terwijl Nol zich
weer behaaglijk oprolde in het raamkozijn, geliefkoosd door
enkele zonnestralen, keek ik snel naar haar gezichtje.
Gelukkig, onze lieve sukkelkater was nog niet helemaal verdwenen.
Hij had letterlijk een korte aanval gedaan, maar zonder nagels
of tandjes. Opgelucht haalden manlief en ik adem: Nol was
nog steeds de onschuld zelve. |